Muziekgilde, vrijdag 27 november, Sint Annagebouw, achter de Vitus, Emmastraat, aanvang 19.30 uur – € 6,–.
Door Hans Quant
Eeuwen lang was de muziek die gespeeld werd en waar naar geluisterd werd de muziek van dat moment. Componisten (Monteverdi, Bach, Händel, Haydn, Mozart, Beethoven en ga zo maar door) schreven hun stukken en terwijl de inkt nog niet droog was, werden ze al uitgevoerd. De aandacht was gericht op de muzikale ontwikkeling van het moment, muziek uit het verleden was niet van belang, onbekend, of had hooguit academische betekenis.
Geleidelijk aan werden muziekliefhebbers, vanaf de tweede helft van de 19de eeuw (Bach-revival gestimuleerd door Mendelssohn bijv.) en in versneld tempo in de tweede helft van de 20ste eeuw, zich bewust van de schoonheid en het blijvende belang van de muzikale erfenis van eeuwen. Ook ‘oude muziek’ verscheen op concertprogramma’s.
Onderzoek naar regels en stijl
Vooral vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw realiseerden musici, musicologen en uiteindelijk ook het publiek zich dat de muziek van eerdere generaties ánders moet hebben geklonken. De instrumenten hadden zich onvergelijkbaar geëvolueerd ten opzichte van hun voorgangers. Uit onderzoek van oude handboeken bleek dat er tal van ‘regels’ bestonden die in de loop van de geschiedenis helemaal uit het zicht waren verdwenen. Er kwam een toenemend stijlbewustzijn over hoe en waarmee oude muziek gespeeld moest worden. Men begon bewaard gebleven oude instrumenten weer te bespelen en er werden steeds meer nieuwe instrumenten gebouwd naar oude voorbeelden. Het werd een hele beweging met soms heftige discussies en experimenten, die zich ten doel stelde de oude muziek opnieuw tot klinken te brengen – met inzet van alle verworven kennis op het punt van instrumenten en de historische uitvoeringspraktijk.
Als het restaureren van een schilderij
Het leidende idee in dat proces is dat de oude muziek, net als bij restauraties van oude schilderijen, pas optimaal tot klinken komt als aan alle oorspronkelijk stijlkenmerken recht wordt gedaan. Een schilderij van Vermeer wordt gerestaureerd met pigmenten en andere verfbestanddelen zoals die in de tijd van Vermeer gebruikt werden. In oude muziekuitvoeringen ging men de instrumenten uit die tijd gebruiken en probeerde men zoveel mogelijk te weten komen over alle verdere voorwaarden, de stemming, de tempi, de zinsbouw, versieringen enz.
Van de piano van Bach tot Schubert
Dat is de achtergrond waar ook het verschijnsel van de inzet van oude piano’s in de muziekpraktijk geplaatst kan worden. De piano van Bach en zonen en van Scarlatti (Domenico) speelt en klinkt anders dan de piano van Haydn en Mozart. Het verschil wordt nog groter met de piano van Schubert en zo gaat de ontwikkeling verder tot we bij de moderne (vleugel-)piano van Steinway, Bechstein, Bösendorfer of Fazioli uitkomen, die weinig meer gemeen heeft met de voorgangers van eerdere eeuwen.
De ‘uitvinding’
Met geluid- en beeldillustraties gaan we deze ontwikkeling volgen. De complete geschiedenis is te omvangrijk om in één lezing te behappen. De ontwikkeling van de piano volgt een curve van elkaar snel opvolgende vernieuwingen vanaf de start (rond 1700) om geleidelijk aan rond 1900 tot stilstand te komen. In wezen verschilt de concertvleugel van rond 1900 nog maar weinig van de concertvleugel van vandaag. We zullen ons vooral concentreren op de ‘uitvinding’ en de vroege stappen in de evolutie waarin de ontwikkeling het snelst ging en het contrast met het moderne instrument het grootst is.